Fijne vrijdag: Hoe Katja leerde om rust te nemen en naar zichzelf te luisteren.

Een spons. Zo noem ik het emotionele stuk van mezelf als ik naar het verleden kijk.

Wat men ook zei of deed, ik slikte het gewoon in en dacht dat ik daardoor sterk was. Ja, ik dacht echt, als ik niet weende, dat ik toonde dat ik een rots was waar iedereen op kon vertrouwen. Maar nee, ik was een spons met ingehouden tranen.  In plaats van ze uit te wringen of weg te spoelen, hield ik ze in. Tot het moment dat mijn spons niet meer kon opnemen, bleef ik alle symptomen negeren die mijn lichaam aangaf. Ik sliep amper of juist heel veel. Nachtmerries werden mijn vaste slaapgenoten en mijn eetlust was weg.

Maar ik bleef lachen. Want een optimist werd toch niet moe van alles om zich heen?”
Moe zijn kon niet. Na een leuk dagje in het bos met mijn gezin, dacht ik: “Het lukt me morgen wel, mijn batterijtjes zijn weer opgeladen.” Fout. Ik loog mezelf weer wat voor. Want die nacht werd ik wakker met hartkloppingen en de angst nam geheel bezit van me. Ik kon niet meer slapen en voelde alleen een angst op mijn schouders. Hij was loodzwaar en ik kreeg hem niet afgeschud. Nog erger, ik kon nog met moeite voortbewegen. Alsof de batterij bijna leeg was en je alleen nog vertraagd kon voortbewegen.  Ik besloot om bij de dokter langs te gaan die constateerde dat ik een veel te hoge bloeddruk had, hartoverslagen had en er slecht uitzag. Nou ja, ik wist dat je van een dokter geen complimenten moest verwachten, maar toch. Ik, de optimist, was nog enkel een schaduw geworden van mezelf. Mijn hart moest op controle en weken deed ik niets anders dan huilen, zitten, rusten en huilen. Mijn directeur belde me dan nog op tijdens de week om te vragen of ik het wel aankon om in een klas te staan.

Ik werd naar huis gestuurd, dus het antwoord was duidelijk. Dat was voor mij de druppel. En de ommekeer van mijn burn-out.
Na weken in een zwart gat te vertoeven, besloot ik dat het genoeg was.
Ik vocht tegen de demonen en de angst omdat ik mezelf weer wilde zijn. Ergens gedurende de jaren ben ik mezelf kwijtgeraakt en ik moest mezelf terugvinden. Ik ging naar een psycholoog en deed dingen waarvan ik gelukkig werd. Stap voor stap natuurlijk, maar het ging opeens vooruit. En na tweeënhalve maand thuis te zitten, waagde ik de sprong terug naar de realiteit. En ik ga eerlijk zijn, dat ging moeizaam. Omdat ik weerstand had op het werk. Mensen die me letterlijk klein wilde krijgen. Maar in plaats van de frustraties en de pijn op te slurpen, gebruikte ik het anders. Ik werd kwaad en begon te vechten. Niet met mijn vuisten, maar met mijn woorden en daden. 

Ik vocht voor mezelf en voor wie ik ben. En ik won.
Ik leerde hulp vragen daar waar ik het nodig had. En dat geeft me nu nog zoveel ademruimte. Zo voelt het niet meer alsof ik een zak bakstenen heel de tijd zit voort te sleuren. Nu lijk ik af en toe te zweven omdat het me zo blij maakt. Daarbij besef ik dat je met twee meer kan bereiken dan alleen.

Als iets je een slecht gevoel geeft, dan moet je er naar luisteren. Een zin die me bij blijft, want nu negeer ik die gevoelens niet meer. Ik kom nog valkuilen tegen, maar ik sta vlugger op omdat ik het besef. En ik laat mezelf fouten maken daar waar ik het nooit toeliet.

Niemand is perfect, we kunnen er enkel naar streven. En gaat het echt fout, zet het dan recht.

Een heel belangrijk woord dat ik heb onthouden, is rust. Ik gunde mezelf echt geen rust, maar nu – twee jaar na mijn burn-out – geef ik dat voorrang.  Die afwas kan soms wel wachten of die voorbereiding voor mijn klasje kan ik de volgende dag ook maken. Daarom werk ik dit jaar ook 4/5 om zeker te zijn dat ik toch 1 dagje rust ervaar en tijd heb voor mijn gezin.

Ik kan mijn verdriet en woede nu plaatsen, ook omdat ik nog steeds erover kan en ga praten.

De spons, waar ik het in het begin over had, is er nog steeds, maar niet zo vol. Hij is nu mijn kleine vriend geworden. Wanneer ik over mijn limieten ga, dan waarschuwt mijn lichaam me en dan trek ik aan de alarmbel. Als hoog-sensitieve vrouw neem ik heel veel in me op, maar nu negeer ik het niet meer. Meer nog, ik ben blij dat ik ooit mijn burn-out heb gehad, want nu zie ik veel dingen in een ander daglicht of besteed ik meer tijd aan de zaken en mensen die ertoe doen. En als het nog eens moeilijk gaat, dan is er een zin die me steeds staande houdt:

“Ik sta voor wie ik ben” En dat geloof in mezelf maakt dat ik pas sterk ben.

*De naam van de schrijfster is gefingeerd i.v.m. privacy.

 

Laat je reactie achter

Ik ben benieuwd wat je van dit artikel vindt. Laat je het me weten?

Geef een reactie (*Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd)